Politici beslissen over beleid, ambtenaren voeren het uit. Dat klinkt logisch. In deze column uit juni 2025 leg ik uit dat de realiteit iets genuanceerder is. Ambtenaren, als experten, moeten hun politici altijd durven adviseren. Ook als die laatste dat niet graag hebben.

In Finland krijgen studenten die met succes hun doctoraat verdedigen niet alleen zo’n hoedje op hun hoofd geplaatst. Ze krijgen ook een echt zwaard overhandigd: ‘to always fight for what is good, right and true’. Ik vind het een prachtig symbool. Het hoogste academische diploma komt met een grote verantwoordelijkheid voor wie het krijgt: academici moeten hun recht blijven opeisen om in alle vrijheid onderzoek te kunnen doen. En om op basis van dat onderzoek te blijven zoeken naar wat goed, juist en waar is. Vragen stellen vanuit een permanente nieuwsgierigheid naar nieuwe kennis. En ook vanuit een bezorgdheid om de wereld een beetje beter te helpen maken.

Het is in deze traditie dat de eerste les Bestuurskunde altijd begint met de stelling dat ‘bestuurskunde een empirische, normatieve en prescriptieve discipline is’. Op het moment dat deze zin valt, gaan de oren van de nieuwbakken studenten zodanig flapperen dat ik daar en dan elk jaar mijn eerste herfstverkoudheid oploop. Vijf beaufort in het auditorium. Zou het dan toch kloppen dat UGent een links-activistisch woke-nest is, zie je sommigen denken? Als ik de studenten in januari op het examen vraag om deze zin uit te leggen en te illustreren, loop ik een tweede verkoudheid op: omwille van de evidente vraag waait een simultane en grote zucht van opluchting door het examenlokaal. Een beetje student heeft tegen dan immers in de gaten dat bestuurskundigen niet alleen proberen te beschrijven en te verklaren hoe de overheid werkt (empirisch). Maar dat bestuurskundigen zich ook moeten uitspreken over de kwaliteit van het bestuur (normatief), en daar dan adviezen over moeten formuleren (prescriptief).

Met het normatieve begeven we ons als wetenschappers wel op glad ijs. Meningen loeren achter de rug van feiten verleidelijk om de hoek. Wat is immers ‘goed bestuur’? Voor uitspraken daarover hebben we criteria nodig om onze lat naast te leggen. Nu zijn er veel criteria van goed bestuur, en die zijn niet altijd compatibel. Wat ‘effectief’ is (bijvoorbeeld sociaal werkers die naar de burger toe stappen om hen op hun rechten te wijzen), is niet altijd ‘efficiënt’ (veel personeel dat veel tijd stopt in relatief weinig dossiers). Wat ‘democratisch’ is (burgerinspraak organiseren), werkt vaak vertragend en bureaucratiserend (infrastructuurprojecten die lang aanslepen). Of wat zijn ‘kerntaken’? Veiligheid, vuiligheid en verkeer, jazeker. Maar verder? Jonge ouders vinden het fantastisch dat de gemeente sportkampen organiseert, en senioren ontvangen dagelijks graag een maaltijd aan huis van het OCMW. Wiens ‘kerntaak’ moet er dan sneuvelen in een besparingsronde?

Het is niet aan bestuurskundigen om dat te bepalen, of om de vele criteria van goed bestuur te rangschikken. Dat zijn politiek-ideologische vragen voor het democratisch debat. Dat zeg ik er dan ook onmiddellijk bij in die eerste les. Vandaag neigt de pijl in de richting van een overheid die best wat kleiner, efficiënter en minder bureaucratisch is. Dat is een politieke keuze, en daar moet een bestuurskundige dan mee aan de slag, en adviezen formuleren. Met de nodige kritische zin, want een goed advies bevat ook waarschuwingen. Dat beleidskeuzes (zoals het afschaffen van zomerkampjes bijvoorbeeld) gevolgen hebben die verder gaan dan winst voor de stadskas. Dat het benadrukken van één criterium van goed bestuur (bijvoorbeeld het digitaliseren van diensten vanuit een efficiëntiedenken) gevolgen heeft voor andere criteria (het creëren van drempels tot dienstverlening voor bepaalde groepen).

Een bestuurskundige moet ook beseffen dat er altijd een zekere tegenkanting zal zijn. Want zelfs al zijn adviezen gebaseerd op bestuurswetenschappelijke inzichten en niet op politieke standpunten, ze hebben wel altijd een zekere politieke ‘lading’: afhankelijk van de mate waarin het advies in het kraam past, gaan sommige politici het gretig delen en promoten, terwijl anderen het afserveren. En zo kan het gebeuren dat met belastinggeld bestelde onderzoeksrapporten op vraag van de opdrachtgever in de kluis blijven. Precies daarom hebben we als wetenschappers dat zwaard nodig. Het staat symbool voor de moed die soms nodig is om te spreken, ondanks mogelijke tegenkanting.

Het brengt mij bij een slotbedenking over de ‘bestuurskundigen-in-de-praktijk’, de medewerkers van de lokale besturen. Ook voor hen is het ijs soms glad als ze ‘truth to power’ durven spreken. Ook voor hen geldt, misschien a fortiori, dat het moed vergt om hun bestuurders af en toe te waarschuwen. Ook en zeker nu de beleidsnota’s en de meerjarenplannen opgemaakt worden, en de lokale koers voor de komende jaren wordt bepaald. Uiteraard moet de politiek de knopen doorhakken. En van medewerkers mogen we net als van academici een neutrale en objectieve houding verwachten. Maar zeker in een complexe wereld is er meer dan ooit nood aan goed beleidsadvies. Ook van de experten in het eigen lokaal bestuur. Geef hen daarom het vertrouwen om hun rol te spelen. En gun hen ook een zwaard.

Posted in