Deze column uit mei 2025 is een oproep aan politici en ambtenaren om af en toe uit hun bubbel te komen. Beleid wordt beter als er ook geluisterd wordt naar de mensen voor wie er beleid wordt gemaakt: zij ervaren er de effecten van, dag in, dag uit.

Geef maar toe beste lezer: wij behoren tot een clubje van mensen die ‘het’ min of meer ‘gemaakt’ hebben. U bent immers burgemeester, schepen, of gemeenteraadslid. Dat geeft u een zeker aanzien in uw gemeente of stad. Of u bent een medewerker van een lokaal bestuur, met een (hopelijk) boeiende job en een behoorlijk loon. Ik werk aan de universiteit, dat is ook boeiend en goedbetaald. We frequenteren elkaar op vergaderingen, studiedagen en netwerkevents. Dan slaan we een praatje: we werken aan ons netwerk. Het is best gezellig in onze bubbel. We zijn het misschien niet altijd eens, maar we spreken wel dezelfde taal. We lezen in dezelfde kranten, tijdschriften en boeken vooral over zaken die we ook zelf zouden kunnen geschreven hebben. En zo overtuigen we onszelf en elkaar ervan dat wij het allemaal goed weten.

Deze hyperbolische spiegel werd me genadeloos voorgehouden toen ik het boek ‘Armoede uitgelegd aan mensen met geld’ (2024) van Tim ’s Jongers las. Tim is politicoloog, bestuurskundige, en tot voor kort directeur van de Wiardi Beckman Stichting, zeg maar de studiedienst van de Nederlandse Partij van de Arbeid (ideologisch komt die partij het dichtst in de buurt van Vooruit bij ons). Tim is dus één van ons: hogeropgeleid, en met een netwerk in politiek en overheid. Het verschil is dat Tim in armoede is opgegroeid, wat zijn kansen op een toetreding tot onze club gevoelig verkleinde. Dat het hem (weliswaar op latere leeftijd) is gelukt, is een niet evidente verdienste. Zonder de lezers te willen miskennen die ook in moeilijke omstandigheden de poort naar de beleidsbubbel hebben moeten openbreken: de meesten onder ons kregen meer en betere kansen dan ‘s Jongers.

Zijn boek is voor mij één van de beste bestuurskundige boeken van de laatste jaren in ons taalgebied (hoewel het niet echt een klassiek bestuurskundig boek is). Het is verplichte lectuur voor élk lid van een raad voor maatschappelijk welzijn, of van een bijzonder comité voor de sociale dienst. De essentie van zijn boek is dat wie voldoende financieel, sociaal en cultureel kapitaal heeft (dus geld, een netwerk en een opleiding), zeer moeilijk écht kan begrijpen wat leven in kansarmoede is. En dat is dus een probleem, want het zijn wel die have’s die aan de beleidsknoppen zitten. Ze bestuderen het probleem, en schrijven een doorwrocht rapport of beleidsplan. Vervolgens wordt er in de beleidsbubbel beslist over (weliswaar goedbedoelde) maatregelen.

Eén voorbeeld maar: het aanbieden van gratis schoolmaaltijden. Meetbaar, concreet, en gegarandeerd effect: ieder kind krijgt dagelijks een portie gezond voedsel, en het probleem van de lege boterhamdozen is opgelost. Maar dan blijkt dat deze maatregel op het terrein niet altijd even makkelijk ingevoerd raakt. Scholen met veel kansarme kinderen krijgen die gratis maaltijden niet georganiseerd, omdat ze al veel capaciteit aan extra zorg moeten besteden. De maatregel schiet het doel dus voorbij, en levert bovendien ook nog een joekel van een matteuseffect op. Want in scholen met veel kansrijke kinderen loopt de organisatie van de gratis schoolmaaltijden wél van een leien dakje. Dan gebeurt het dat (letterlijke quote) ‘kinderen met een knorrende maag ’s avonds in het Jeugdjournaal zien hoe andere kinderen een gratis schoolmaaltijd krijgen’.

In de overheid zit dan wel veel kennis en kunde, maar die is soms te éénzijdig gebaseerd op een beperkt aantal aannames uit een beperkt aantal – in de bubbel dominante – paradigma’s. En dan krijg je beleid dat, hoe goedbedoeld ook, blind is voor een aantal vervelende neveneffecten. Neveneffecten waar een expert by experience op voorhand had kunnen voor waarschuwen.

Hoog tijd dus om de beleidsbubbel te verbreden. Zeker op de lokale schaal moet het mogelijk zijn om de expertise van het gemeentehuis aan te vullen met de expertise van de – niet oneerbiedig bedoeld – straat. Street level bureaucrats, zoals de politieagenten op het terrein of de maatschappelijk werkers in het OCMW, zien vaak als eerste heel scherp wat de echte effecten zijn van maatregelen. En de mensen voor wie het beleid bedoeld is kunnen meestal ook wel helder aangeven wat er werkt of niet, en waarom. Dit zijn geen nieuwe inzichten. Er wordt al lang gepleit voor implementatietoetsen: zij die met beleid worden geconfronteerd moeten gehoord worden om de concrete gevolgen van dat beleid te kunnen inschatten en evalueren. Laat ons daarom afspreken, bubbelgenoten onder elkaar, dat we eens wat vaker een netwerkevent overslaan. En dat we in de plaats een townhall meeting met burgers organiseren om te leren hoe beleidsmaatregelen op straat uitpakken.

Posted in