Deze column verscheen in oktober 2024, vlak na de gemeenteraadsverkiezingen. Het was de eerste keer dat mensen niet meer verplicht moesten gaan stemmen. Dat er wel wat mensen thuis zouden blijven werd algemeen verwacht. Maar dat het er zoveel zouden zijn? Dat niet.

Het is dé uitslag van afgelopen zondag: bijna 40% van de burgers bleef thuis. Het is het zoveelste symptoom van een haperende democratie. Natuurlijk heeft de afschaffing van de opkomstplicht er mee te maken. Maar dat er zo veel mensen thuis blijven is niet normaal. Het lokale bestuur is het meest nabije bestuursniveau, waar burgers en bestuurders elkaar letterlijk in de ogen kijken. Waar het bestuur beslist over concrete en belangrijke zaken in wijken en buurten: mobiliteit, veiligheid, netheid, wonen, … De vergelijking met andere landen, waar kiezers ook massaal thuisblijven, moet ons niet tevreden stellen. De lage opkomst wordt niet rooskleurig omdat ze in lijn ligt met de buitenlandse cijfers. De vergelijking is ook niet altijd eerlijk. Bijvoorbeeld Nederland waar nog slechts 50% van de mensen gaat stemmen bij lokale verkiezingen. Toen men daar destijds de opkomstplicht afschafte ging het niet zo snel bergaf met de opkomst, als nu bij ons. Burgers hebben in Nederland ook geen impact op wie burgemeester is. Die wordt immers benoemd door de regering. Als mensen daar, in tegenstelling tot hier, niet kunnen bepalen wie de leidende lokale politieke figuur is, dan is dat een incentive minder om te gaan stemmen, zou ik denken.

De verklaring voor de lage opkomst gaat verder dan de groepen waarvan we weten dat ze geneigd zijn om thuis te blijven, zoals jongeren, kortgeschoolden en mensen in een kwetsbare socio-economische situatie. Met dergelijke cijfers moeten we ook durven erkennen dat de afschaffing van de opkomstplicht een al langer bestaand wantrouwen in politiek verder blootlegt. We weten uit recent onderzoek dat Vlaamse burgers niet tegen verkiezingen zijn, maar ook dat ze het niet altijd de beste manier van democratische besluitvorming vinden. Ze vinden dat ze, éénmaal hun stem is uitgebracht, nog maar weinig inspraak hebben en onvoldoende gehoord worden. Zeker politiek cynische mensen, en zo zijn er blijkbaar veel, vinden verkiezingen om ‘die politiekers’ aan te duiden niet meer legitiem genoeg om van een echte democratie te kunnen spreken. Veel burgers willen vaker meespreken over wat er concreet gebeurt in hun wijken en buurten. Steeds meer lokale besturen die inzetten op meer burgerparticipatie, hebben dat signaal al begrepen.

Ook de campagne heeft niet echt geholpen. Op voorhand kartels sluiten om de grootste te worden, soms tussen partijen die ideologisch ver van elkaar staan. Het doen uitschijnen dat het om burgemeestersverkiezingen gaat, in plaats van om gemeenteraadsverkiezingen. In de perceptie van veel mensen draait het te veel om postjes en macht, en te weinig om inhoud. Veel lokale partijen hebben inhoudelijk stevige programma’s, maar die bereiken zelden de kiezers. Als te veel mensen het gevoel hebben dat strategie boven de inhoud wordt geplaatst, wordt het cynisme alleen maar verder aangevuurd.

De winnaars zullen zeggen dat hun aanpak gewerkt heeft. Vanuit politiek-strategisch oogpunt hebben ze gelijk. Maar éénmaal de tijd van besturen aanbreekt, zullen die winnaars toch ook moeten nadenken over hoe ze afgehaakte burgers opnieuw warm kunnen maken voor de lokale democratie. In de campagne zijn er ook op dat vlak kansen blijven liggen. Partijen deden niet veel moeite, toch niet meer dan anders, om kiezers naar de stembus te lukken. “Stem op ons”, dat wel. Maar “stemmen is belangrijk in een democratie”? Die fundamentele boodschap hoorden we te weinig. Ik durf niet uitsluiten dat het in sommige gevallen deel van een berekende strategie was, bij partijen die menen dat een lagere opkomst vooral in hun kaarten speelt. Ook dat is cynisme, maar dan bij politieke strategen.

Het al dan niet herinvoeren van de opkomstplicht zal de komende weken en maanden op de agenda staan. Alleen al het meer betrekken van groepen die te weinig vertegenwoordigd zijn, is een voldoende argument om de stemplicht opnieuw in te voeren. Een tegenargument is dat de opkomstplicht het dalende vertrouwen in de politiek maskeert: we kunnen de cynici en de ontevredenen wel met de stok naar de stembus jagen, maar daarmee zullen de ontevredenheid en het cynisme niet verdwijnen. We gaan het alleen minder scherp zien. Met het risico dat de urgentie vermindert om de fundamentele uitdaging aan te pakken: hoe kunnen we het engagement voor de lokale democratie bij zoveel mogelijk mensen weer aanzwengelen? Dat vraagt niet enkel een debat over hoe we om de zoveel tijd verkiezingen organiseren. Maar ook een debat over hoe we dag in dag uit op een geloofwaardige manier inspraak voor burgers organiseren. Want democratie is zoveel meer dan om de zoveel jaar een bol gaan kleuren.

Posted in