Deze tekst is geschreven in maart 2020, bij het begin van de pandemie. We hadden toen met zijn allen een grote overheid nodig. Velen dachten dat de overheid fundamenteel zou veranderen na de pandemie. Ik was daar niet zo zeker van.
Er was eens een ver land waar een grote vriendelijke reus de plak zwaaide. Hij regelde zorg bij ziekte of ouderdom. De kinderen van het land kregen een opleiding. De arbeiders kregen een goed loon, ook dat had hij geregeld. Omdat het er goed leven was, noemde men het land ‘welvaartsstaat’. De mensen in het land hadden een verbond gesloten: ze beloofden de reus te eten te geven zodat hij zijn grote taak zou aankunnen. En iedereen droeg naar eigen vermogen bij.
Na verloop van tijd begon het echter fout te lopen. Sommige mensen brachten minder eten naar de reus, omdat ze dachten dat anderen dat wel zouden doen. Het was ook niet altijd even duidelijk hoeveel hij precies nodig had, en daar maakte hij dan soms een beetje misbruik van. Er waren mensen die lui werden omdat de reus alles voor hen deed. Weer andere mensen vonden dat niet leuk en wilden de reus op rantsoen plaatsen. En op een dag stond er een oude wijze man op, die sprak: ‘de reus is niet de oplossing voor onze problemen, de reus is zelf het probleem!’
De meeste mensen vonden dat de oude man een punt had, en er werd beslist dat het allemaal efficiënter moest: de reus zou voortaan net genoeg te eten krijgen. Hij moest vanaf nu ook steeds bewijzen dat hij de juiste en de goede dingen deed: men zou zijn prestaties meten. De reus kreeg het moeilijk, maar daar hadden de meeste mensen niet echt last van: zij leefden goed, en konden hun plan trekken. Ze waren zelfs opnieuw iets ondernemender geworden, en bouwden hun eigen welvaart op. Slechts een kleine groep mensen was volledig van de reus afhankelijk, omdat ze arm, ziek of behoeftig waren. Zij kwamen wel in de problemen als de reus op rantsoen werd geplaatst. Maar die groep hoorde je amper…
Op zekere dag gebeurde er iets verschrikkelijks in het land. Mensen werden plots ziek. Dag na dag groeide het aantal mensen dat aanklopte bij de reus omdat ze naar het ziekenhuis wilden. De reus moest ook voor de veiligheid in het land zorgen, en zag er nauw op toe dat de mensen in huis bleven, want de ziekte bleek zeer besmettelijk. En de reus beheerde de schatkist, die hij moest plunderen om de mensen die niet meer konden werken wat geld toe te stoppen. Dag en nacht was hij in de weer. Om zijn taak aan te kunnen, had hij dringend meer voedsel nodig. Daar was iedereen het snel over eens. Opnieuw stond een oude wijze man op, die sprak: ‘voor dit probleem hebben we een reus nodig die sterk genoeg is om het nodige te doen. Of we hem nu graag hebben of niet, onze reus moet het nodige voedsel krijgen om zijn taak tot een goed einde te brengen’. En de mensen applaudisseerden. Niemand wist waar dit zou eindigen, maar de sterke reus was hun beste kaart.
Dit verhaal, dat overigens volledig verzonnen is, leert ons dat in tijden van crisis de pragmatische consensus heerst. Het lijkt de ideologie voorbij: wie doorgaans voor een kleine overheid pleit, staat nu ook achter grote overheidsuitgaven. Wie doorgaans de markt eigenbelang verwijt moet nu ook toegeven dat uit die hoek veel solidariteit komt. Wie het individu in de regel boven de samenleving plaatst ziet nu ook hoe krachtig een gemeenschap kan zijn als het algemeen belang in gevaar komt. We zijn het eens dat de overheid nu moet focussen op wat hier en nu werkt. We stellen ons vertrouwen in een sterke overheid die verregaande maatregelen oplegt inzake sociaal verkeer en economische steun. De reus is aan het werk en wat hij vandaag doet is nodig en goed.
Maar deze pragmatische consensus zal wellicht snel verlaten worden als het corona-stof is gaan liggen, en wanneer keuzes moeten worden gemaakt rond uitdagingen die ons nog lang gaan bezighouden: de economische gevolgen zullen doorwerken, mondiale vluchtelingenstromen zullen niet opdrogen, het klimaat zal nog niet gered zijn. We staan voor een maatschappelijk debat over welk soort overheid we willen om die uitdagingen aan te pakken. En dat debat zal ideologisch zijn. Deze crisis levert immers argumenten en tegenargumenten voor veel verschillende ‘modellen van beste overheid’. Het Chinese model (“een ziekenhuis bouwen in drie dagen”), het Singaporese model (“bijna akelige surveillance maar amper besmettingen”), ons eigen model (“kwaliteit en toegankelijkheid van gezondheidszorg”), nog andere: wie de voordelen benoemt, moet ook de werkpunten durven zien.
We zijn dus best voorzichtig om wenselijke modellen te projecteren uit de uitzonderlijke situatie die we vandaag meemaken. Een sterke overheid die de samenleving samen houdt moet immers het evenwicht bewaren tussen verschillende criteria van ‘goed bestuur’: daadkracht maar ook democratische rechten en vrijheden, zuinigheid en efficiëntie maar ook investeringen in zaken van publiek belang. Dat was zo en dat zal in de toekomst zo zijn. Hoogstens zullen de taken en de rollen van de reus, en ook zijn rantsoen, een beetje herbekeken worden. En misschien zullen een aantal bestuursprincipes die we in crisistijd in extreme vorm zien, in een mildere vorm permanent doorzetten: meer surveillance door politiediensten, grote overheidsinterventies in de economie, meer beleid gesteund op expertise, meer focus op kerntaken en ‘noodzakelijke diensten’, een appèl aan de samenleving om verantwoordelijkheid te nemen. Voer voor discussie, maar al bij al geen fundamenteel herdenken van het concept ‘overheid’.