Deze column schreef ik in mei 2024. Een aantal weken voor de nationale verkiezingen in ons land. De verwachting was dat heel veel kiezers opnieuw een middelvinger zouden tonen. Volgens mij omdat ze bewust een stuk ‘bestuurlijk ongeletterdheid’ worden gehouden: te weinig politici durven toegeven hoe lastig en complex het is om een land te besturen.

We zijn twee weken voor de verkiezingen. Wie al eens buitenkomt en een beetje mee is met de laatste opinieonderzoeken, zal straks op verkiezingsavond niet verbaasd zijn als 15% van de kiezers thuis is gebleven, als de extremen van het Vlaams Belang en de PVDA samen 35% halen, en als nieuwe partijen die een ‘andere politiek’ beloven, zoals Voor U, samen op zo’n 5% uitkomen. De grote helft van de bevolking zal dus een dikke middelvinger opsteken naar ‘het systeem’.

Zijn al die mensen dom? Neen. Ze weten heel goed waarom ze een bepaalde, of helemaal geen bol kleuren.De meerderheid van de Vlaams Belang-kiezers doet dat vanuit een probleem met vreemdelingen of allochtonen. PVDA-kiezers liggen wakker van koopkracht en ongelijkheid. Voor U-kiezers zijn op zoek naar wat zij noemen ‘echte liberalen’ die vrijheid weer centraal stellen. Er wordt vanuit een inhoudelijk motief gestemd. En als bekommernissen geen of te weinig aandacht krijgen, dan worden partijen met een heldere boodschap zeer aantrekkelijk. Zeker wanneer diezelfde partijen ook de slag om de sociale media winnen. En zeker wanneer dat alles gepaard gaat met een sfeerschepping over het politieke bedrijf zelf, waarbij politici worden afgedaan als zakkenvullers en postjesjagers die alleen maar met zichzelf bezig zijn, politieke schandalen gretig worden opgeklopt, en kopstukken niet veel moeite meer doen om hun afkeer voor elkaar te verbergen. Het enthousiasmeert niet om naar de stembus te trekken. Op 10 juni zullen we veel verklaringen horen. En veel van die verklaringen zijn niet nieuw.

Eén fundamentele verklaring horen we te weinig: het feit dat de burger een compleet onrealistisch beeld krijgt voorgeschoteld van wat de overheid is en vermag. In campagnetijden hebben politici sterk de neiging om te ‘overbeloven’, alsof de overheid pasklare antwoorden heeft voor elk mogelijk probleem. We worden overspoeld met straffe voorstellen: een volledige migratiestop, een afbouw van de gezondheidszorg om meer aan defensie te kunnen spenderen, het plafonneren van brandstofprijzen. Daar horen ook vele ‘breekpunten’ bij. Zoals partijen die beweren dat ze niet in een regering stappen als er geen gratis schoolmaaltijden worden geboden. Het wordt problematisch als de burger doorheeft dat veel van die beloftes gebakken lucht blijven. Dat er niks van in huis komt. In de ogen van velen ‘onderpresteert’ de overheid. Laat dat nu net een belangrijke voedingsbodem voor het wantrouwen in ‘de politiek’ zijn.

Een simpele waarheid die te weinig benoemd wordt, is dat de overheid onmogelijk voor iedereen en in alle omstandigheden goed kan doen. Wat mensen verwachten van de overheid verschilt grondig, en is afhankelijk van individuele situaties en noden. Voor de ene investeert de overheid te veel in zaken die voor hem niet belangrijk zijn, en is die dus spilzuchtig. Voor iemand anders zijn diezelfde investeringen wel belangrijk. De overheid verwaarloost haar zogenaamde kerntaken, hoor je soms ook. Maar wat voor u een kerntaak is, is het daarom niet noodzakelijk voor mij. Mensen verwachten dat de overheid de grote uitdagingen aanpakt, zoals de klimaatproblematiek. Maar als ze actie onderneemt, en het concreet wordt, dan wordt het ook voelbaar in de portefeuille, en worden velen kwaad.

We vergeten ook dat onze bestuurders nogal aan handen en voeten gebonden zijn. Ze spelen in een systeem dat hen tot op zekere hoogte het spelen belet. Opeenvolgende staatshervormingen hebben tot bestuurlijke verrommeling geleid, waarbij een minister op het ene niveau rekening moet houden met beslissingen van ministers op andere niveaus. Het is lastig een gezondheidsbeleid te voeren als er negen ministers voor verantwoordelijk zijn. Daar komt bij dat Europa steeds meer bepaalt wat nationale regeringen kunnen doen of niet. Lokale beleidsuitdagingen op het vlak van pakweg landbouw, stikstof of migratie kunnen maar opgelost worden binnen de lijnen die Europa uitzet. En veel publieke dienstverlening waar de overheid lang voor verantwoordelijk was – denk aan energie, posterijen of telecommunicatie – is ondertussen op de vrije markt gezet. Op die manier hebben overheden veel hefbomen verloren om dienstverlening die mensen belangrijk vinden te reguleren. De energiecrisis is een schoolvoorbeeld: om de uit de pan swingende kosten te helpen verlichten, kwam men niet verder dan een premie.

Laat een van de verklaringen die we na de verkiezingen zullen horen zijn dat de kiezer voortdurend een rad voor de ogen wordt gedraaid. Dat hij voor een stuk ‘bestuurlijk ongeletterd’ wordt gehouden. Dat hij maar zelden te horen krijgt dat de overheid niet voor iedereen altijd goed kan doen. Dat betekent niet dat de problemen niet benoemd mogen worden. Uiteraard moet onze overheid op heel wat vlakken beter doen. Maar een failed state, neen, dat zijn we echt niet. Misschien wordt het tijd dat de megafoons in de samenleving – media, opiniemakers, academici en de politici zelf – wat meer benadrukken dat de perfecte overheid niet bestaat. Ik maak me echter weinig illusies. Ik vrees dat we ook in de toekomst meer aandacht zullen hebben voor het mediagenieke politieke spel, dan voor de complexiteit van het besturen. Maar dan zullen we ook moeten aanvaarden dat burgers die op dat vlak slecht geïnformeerd zijn, het systeem de rug blijven toekeren.

Posted in