In elk dorp een bakker, een slager, een café, een buurtwinkel en geldautomaat. Een sterke lokale economie voor een bloeiend dorpsleven. Een nobel streven, maar echte sociale cohesie groeit van onderuit, als mensen het heft in handen nemen. En als besturen werk maken van inclusie in een steeds diverser wordende samenleving.
Wanneer we ’s nachts van het jeugdhuis naar huis fietsten, durfden mijn vrienden en ik wel eens de kerstverlichting op het dorpsplein aan te steken. Ook al was het hartje zomer en 25 graden. Met zo’n zilverkleurig vijftigfrankstuk kregen we de zekeringkast open. Nadien schakelden we de verlichting wel weer netjes uit. Als we het niet vergaten natuurlijk. Wanneer ik de dag nadien uit mijn bed rolde, ergens tegen de middag, kende mijn moeder de details van onze nachtelijke avonturen al. Ze was ’s morgens vroeg bij de bakker geweest. En daar had ze gehoord van een paar jonge gasten die rond drie uur het dorpsplein op stelten hadden gezet. En wie er allemaal bij was, met naam en toenaam. Deze anekdote vat goed samen hoe ik mijn jeugd in ons dorp beleefde. Alle vrienden woonden in de buurt, we zaten samen in de jeugdbeweging, gingen uit in het plaatselijke jeugdhuis, en konden te voet boodschappen doen. Bijna iedereen kende iedereen. De sociale controle deed in real-time haar werk. Om baldadige pubers te betrappen waren toen nog geen dure camerasystemen nodig.
Ik moest eraan terugdenken toen ik onlangs hoorde dat het goede dorpsleven dringend weer aangezwengeld moet worden. Tegen eenzaamheid en individualisering. De ‘big five’: in elk dorp een bakker, een slager, een buurtwinkel, een café en een geldautomaat. Het is een nobel doel het kostbare sociale weefsel in de lokale gemeenschap sterk te willen maken en houden. Ik ben dus voorstander. In het dorp van mijn jeugd was het heerlijk opgroeien, en waar ik nu woon is er ook veel leven in de brouwerij. Het is wel opletten voor een al te nostalgisch vroeger-was-het-betersfeertje. Alle bakkers en beenhouwers ten spijt was er vroeger ook eenzaamheid. En miserie, achter sommige gevels in de dorpsstraat: ‘Als de muren konden praten,’ dat wist Will Tura lang geleden al.
Elk plan om eenzaamheid en individualisering te bestrijden moet vertrekken van het besef dat echte sociale samenhang van onderuit groeit. Dankzij mensen die zich engageren in het verenigingsleven, in jeugdbewegingen, in lokale sportclubs. Waar verenigingen bloeien, komen mensen buiten, gaan ze op café, kopen ze sneller lokaal. Een sterke lokale economie volgt uit een sterk sociaal weefsel. De vrijwilligers verdienen daarvoor alle steun, ook en vooral jongeren. Zeker nu een flexibel flexi-jobbeleid hen verleidt om hun engagement in de vrije tijd te ruilen voor wat extra zakgeld.
Een lokale gemeenschap kan bovendien maar sterk zijn als ze ook voldoende open is. De tijd dat maar een twintigtal familienamen het bevolkingsregister vulden, ligt ver achter ons. De laatste decennia is de diverse samenleving doorgesijpeld tot in elke Vlaamse gemeente. Die realiteit is niet altijd makkelijk. Veel mensen slaan graag een praatje bij de bakker en de slager, maar dan toch liefst met mensen die ze al langer kennen. Sommige gemeentebesturen zouden daar zelfs onbeschaamd op durven inspelen door domiciliëringen te weigeren aan mensen met een vreemd klinkende achternaam. Dat is niet werken aan sociale cohesie, dat is ze ondermijnen. We hebben de mond vol van integratie, van rechten en plichten. En terecht. Maar wie zich niet welkom voelt, zal zich wellicht niet te snel engageren, of een pint gaan drinken in het dorpscafé.
We moeten ook erkennen dat met de toenemende digitalisering de behoefte aan fysieke dienstverlening zal afnemen. Als niemand nog cash gebruikt, zijn er ook geen bankautomaten meer nodig. Ik durf de stelling aan dat in digitale tijden een gebrek aan dat soort dienstverlening steeds minder een argument zal zijn voor mensen om weg te trekken uit het dorp. Maar een vers gebakken brood van bij de warme bakker, dat is en blijft waardevol. Daarom alleen al moeten we een sterke lokale economie steunen. Ook als het voor de pendelende dorpsbewoner makkelijker is om onderweg naar huis alle inkopen nog even snel in de hypermarkt te doen. De lokale economie zal innovatief moeten zijn. En dat is ze al. Een postpunt bij een lokale handelaar maakt een loket van bpost in elk dorp overbodig. En het voorstel om ticketjes voor de bus in het dorpscafé te verkopen is eigenlijk briljant. Wie wat te veel pinten heeft gedronken laat de auto maar beter aan de kant, inderdaad. Nu De Lijn nog overtuigen om een halte in te richten om de hoek, en om een beetje flexibel te zijn met de dienstregeling. Want we gaan nog niet naar huis, bijlange niet!
Plaats een reactie